► Psychomotorische weerbaarheidstraining ter vergroting van de psychosociale weerbaarheid voor jong volwassenen met een licht verstandelijke beperking (IQ 50-85) die moeite hebben om op te komen voor hun eigen wensen, grenzen en/of behoeften

Maaike van der Hoeven, Jose van Appeven, Mieke Burger & Jan Koene (2014)

Zorgprogramma
Verstandelijke beperking

Prototype werkvorm
Pragmatisch structurerend + Directief klachtgericht

 

Rationale       

Doelgroep

In Nederland leven naar schatting[1] ten minste 55.000 mensen met een licht verstandelijke beperking (50<IQ<70) en nog eens 1,3 miljoen mensen met zwakbegaafdheid (70<IQ<85) (Ras & Woittiez, 2010).

Zowel de DSM-IV-TR (American Psychiatric Association, 2008) als de AAIDD (American Association on Intellectual and Development Disabilities) (Schalock et al., 2010) maken onderscheid tussen een licht verstandelijke beperking en zwakbegaafdheid. In deze classificaties wordt echter te weinig rekening gehouden met bijkomende problematiek. En juist de bijkomende problematiek maakt dat mensen met een licht verstandelijke beperking of zwakbegaafdheid een beroep doen op behandeling, begeleiding of (langdurige) zorg. In de praktijk van de zorg voor mensen met een licht verstandelijke beperking of  zwakbegaafdheid wordt daarom uitgegaan van de volgende kenmerken (Bodde & Hagen, 2009):

  • Een IQ-score tussen de 50 en 85;
  • Een beperkt sociaal aanpassingsvermogen. Tekorten of beperkingen in het aanpassingsgedrag op tenminste twee van de volgende gebieden; communicatie, zelfverzorging, zelfstandig kunnen wonen, sociale en relationele vaardigheden, gebruikmaken van gemeenschapsvoorzieningen, zelfstandig beslissingen nemen, functionele intellectuele vaardigheden, werk, ontspanning, gezondheid en veiligheid;
  • In geval van IQ 70 –85 (zwakbegaafdheid) ; bijkomende problematiek, zoals leerproblematiek, een psychiatrische stoornis, medisch-organische (lichamelijke) problemen en/of problemen in het gezin en sociale omstandigheden.

Recent wordt steeds meer gebruik gemaakt van de term LVB (=licht verstandelijk beperkt), wanneer er gesproken wordt over de doelgroep mensen met een lichte verstandelijke beperking (IQ 50-70) of zwakbegaafdheid (IQ 70-85) én bijkomende problematiek (De Wit, Douma & Moonen, 2012).

Vaak is er sprake van een disharmonische ontwikkeling van de intelligentie; het verbale intelligentiequotiënt is lager dan het performale (Kraijer, 2006). Daarnaast is de cognitieve ontwikkeling vaak beter dan de sociale en emotionele ontwikkeling. In de praktijk betekent dit een groot verschil tussen kunnen en aankunnen (Vuijk, 2013).
Problematiek & Kwetsbaarheid

Mensen met een verstandelijke beperking worden beschreven als kwetsbaar, wat staat voor “gemakkelijk te kwetsen, misbruiken”. Deze kwetsbaarheid is geen statisch persoonlijkheidskenmerk, maar een resultaat van een complex ontwikkelings- en ervaringsproces, waarin zowel persoonlijke, als relationele en maatschappelijke factoren een rol spelen (De Belie & Van Hove, 2003). Mensen met een LVB hebben vaker gedragsproblemen en psychiatrische stoornissen dan hun normaal begaafde leeftijdsgenoten. Zowel biologische factoren (genetische afwijkingen of niet-aangeboren hersenletsel) als psychosociale factoren (zoals leerproblemen, negatief zelfbeeld, beperkte probleemoplossende vaardigheden, faalervaringen) kunnen hiervan de oorzaak zijn (De Beer, 2012).

De kwetsbaarheid komt duidelijk tot uiting in de prevalentie van seksueel misbruik: 61% onder vrouwen en 25% onder mannen met een verstandelijke beperking (McCarthy & Thompson, 1997).

Dit verhoogde risico om slachtoffer te worden van (seksueel) misbruik en ander grensoverschrijdend gedrag wordt toegeschreven aan een inadequate kennis van (seksuele) relaties, moeite hebben om de sociale situatie goed in te schatten, te weinig leerkansen en een gebrek aan assertiviteit (Lesseliers, 2000; Douma, Van Den Bergh & Hoekman, 1998. Allen in: De  Belie & Van Hove, 2003).

Om de kwetsbaarheid van mensen met een LVB te verminderen zijn er verschillende weerbaarheidstrainingen, assertiviteitstrainingen en sociale vaardigheidstrainingen ontwikkeld.

Sociale vaardigheden en de weerbaarheid van mensen met een LVB kunnen significant verbeterd worden doormiddel van trainingen (De Belie & Van Hove, 2003; Hayashi, Arakida & Ohashi, 2011). De studie van Nezu, Nezu en Arean (1991) liet een stijging in probleemoplossend gedrag, assertiviteit en adaptief gedrag, en een daling van ervaren stress en psychiatrische symptomen zien  na een training gericht op het vergroten van de assertiviteit en het sociale probleemoplossende vermogen bij mensen met een LVB en een psychiatrische diagnose.

Weerbaarheid

Weerbaarheidstrainingen kunnen qua vorm en inhoud erg verschillen afhankelijk van de visie, achtergrond en expertise van de trainer en de setting waarbinnen de training gegeven wordt. Ter illustratie; leren om weerbaar te zijn leer je bij kickboksen op een andere manier (fysiek) dan van je schooljuf (sociaal). Onder weerbaarheid wordt in dit product de gangbare definitie volgens Lammers en Meintser (2005, p. 16) gevolgd:  “op een passende manier kunnen opkomen voor je eigen wensen, grenzen en behoeften en rekening kunnen houden met wensen en grenzen van anderen.” Weerbaarheid omvat zowel verbale, mentale als fysieke aspecten. Om de weerbaarheid te vergroten is het belangrijk al deze aspecten aan de orde te laten komen (Lammers & Meintser, 2005). Psychomotorische therapie blijkt een geschikte manier om alle drie deze aspecten aan bod te laten komen en met elkaar te verbinden. Dit wordt geïllustreerd door de grote hoeveelheid trainingen, modules en scripties geschreven en ontwikkeld door (aanstaand) psychomotorisch therapeuten. Onderzoek naar de effecten van psychomotorische weerbaarheidstrainingen zijn er echter nog niet of van minimale wetenschappelijke kwaliteit (enkele voorbeelden worden in de bijlage genoemd).

Psychomotorische Therapie

Psychomotorische therapie (PMT) is een ervaringsgerichte therapie, waarin bewegingsgerichte en lichaamsgerichte activiteiten worden ingezet om een gedragsverandering tot stand te brengen en daarmee psychosociale of psychiatrische problematiek weg te nemen of te verminderen (www.pmtinfosite.nl). Het ervaringsgericht leren – “doen” in spel en beweging – spreekt zowel het emotionele, relationele, cognitieve als het motorische brein aan (de Lange, 2010). Psychomotorisch therapeuten gaan uit van een verbinding tussen het denken, voelen en handelen van de mens; wat je doet heeft effect op je lichamelijke gewaarwordingen, emoties en gedachten en vice versa. De psychomotorisch therapeut ontwerpt bij de hulpvraag passende bewegings- of lichaamsgerichte arrangementen. De cliënten doen hierbij nieuwe of alternatieve ervaringen op, op lichamelijk, emotioneel, cognitief of sociaal gebied. Hiermee breiden zij hun gedragsrepertoire en -mogelijkheden uit en oefenen zij in een veilige therapeutische context (Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Therapie, 2009).

Uit praktijkervaring blijkt dat psychomotorische therapie goed aansluit bij de mogelijkheden van mensen met een LVB. Mensen met een LVB hebben door hun cognitieve beperkingen moeite met het abstracte leren. Leren door informatie uit geschreven taal, gesproken taal, of beeld is daardoor erg moeilijk. Mensen met een LVB kunnen leren door concreet ervaren; vanuit voorbeelden, met uitleg en door veel oefening en herhaling (De Beer, 2012; Došen 2008). Zij maken gebruik van een ervaringsgerichte leerstrategie. Met andere woorden: zij leren door “doen”. Daarnaast lijkt de motivatie van mensen met een LVB aanzienlijk te groeien door het gebruik van bewegingsgerichte en sportieve activiteiten. Motivatie blijkt een belangrijke indicator voor succes (Meuris & Thijssen, 2013).

Psychomotorische weerbaarheidstraining

In deze psychomotorische weerbaarheidstraining ligt de nadruk op het vergroten van de psychosociale weerbaarheid. Onder psychosociale weerbaarheid wordt verstaan; het herkennen van eigen en andermans grenzen en wensen en het opdoen van vaardigheden om eigen wensen en grenzen op een adequate manier aan te geven met respect voor de ander. Het is dus geen fysieke zelfverdedigingstraining.

De psychomotorische weerbaarheidstraining is in fases opgebouwd; van makkelijk en concrete oefensituaties (individueel, oefengericht, dichtbij eigen mogelijkheden) naar meer complexe oefensituaties (interactioneel, ervaringsgericht, experimenteren met nieuwe gedragingen).

In de psychomotorische weerbaarheidstraining leert de cliënt eerst letterlijk sterker in zijn schoenen te staan (fase 1), door te ontdekken waar zijn kracht ligt in bewegingsgerichte activiteiten, zoals duw- en trek spelletjes, maar ook stemoefeningen en “aarden” (stevig staan – fysiek aspect). Door het (her-)ontdekken van eigen kracht, ontstaat een (corrigerende) positieve ervaring, waardoor de cliënt zich mentaal sterker kan voelen.

Daarna kan de cliënt door middel van lichaamsgerichte werkvormen bij zichzelf leren herkennen welke veranderingen er in het lichaam (ook wel lichaamssignalen genoemd) optreden bij een prettige, dan wel onprettige situatie (fase 2). Voorbeelden van deze lichaamssignalen zijn: een verandering in lichaamshouding, spierspanning, hartslag of ademhaling. Ook emoties brengen veranderingen in lichaamssignalen teweeg (DeSteno & Gross, 2013). De cliënt leert de koppeling te maken tussen gebeurtenissen, lichaamssignalen en emoties. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een zeer vereenvoudigde versie van gevoelens: Ja-gevoel (alles wat een prettig gevoel geeft, iets waarmee je door wilt gaan), nee-gevoel (alles waar je geen prettig gevoel bij hebt en waar je dus mee wilt stoppen) en twijfel-gevoelens (je gevoelens zijn onduidelijk of je weet niet zo goed wat je wilt). Door zich bewuster te worden van de specifieke lichaamssignalen en emoties, kan de cliënt zijn wensen en grenzen leren herkennen en aangeven in verschillende situaties (fase 3).

Tenslotte kan de cliënt in fase 4 experimenteren en oefenen met verschillende verbale, mentale en fysieke oplossingsvaardigheden om adequaat voor zichzelf op te komen door zijn wensen en grenzen aan te geven in het contact, bijvoorbeeld door “Nee” of “Stop” te zeggen, weg te lopen of hulp te vragen. De cliënt leert hoe hij kan handelen in een grensoverschrijdende situatie, waardoor zijn kwetsbaarheid vermindert. Door daadwerkelijk te voelen en te ervaren welk effect men te weeg kan brengen, zal het besef toenemen dat men zelf invloed kan en mag uitoefenen op een situatie. Dit zal niet alleen de weerbaarheid vergroten, maar ook een positievere competentiebeleving tot stand brengen.

 

Indicaties

Jong volwassenen (ongeveer 21-35 jaar) met een LVB (IQ 50-85) die kwetsbaar zijn in het aangeven van eigen wensen, grenzen en behoeften in het sociale contact, waardoor de ontwikkeling of vergroting van sociale, emotionele of psychische problematiek een risico vormt. Daarnaast is er ook sprake van een of meerdere van onderstaande punten:

  • weinig zelfvertrouwen hebben;
  • erg beïnvloedbaar of erg volgend zijn;
  • zich nauwelijks laten zien of horen in een sociale context vanwege angst of spanning.

 

Contra-indicaties

Deelname aan de psychomotorische weerbaarheidstraining is niet geschikt voor cliënten die:

  • last hebben van wanen, psychosen of andere verstoringen in het contact met de realiteit;
  • gedrag vertonen waardoor de veiligheid van de andere deelnemers in de groep niet gewaarborgd kan worden, bijvoorbeeld zich niet kunnen houden aan regels en normen;
  • lichamelijke beperkingen hebben die de bewegingsvaardigheden ernstig beperken (ter beoordeling van de psychomotorisch therapeut);
  • ongemotiveerd zijn (blijven) voor deelname.

 

Doelen

De cliënt kan opkomen voor zijn eigen wensen, grenzen en behoeften, op een manier waarin hij zichzelf sterk kan voelen en zonder daarin grenzen van anderen te overschrijden.

Algemene doelen:

  • Vergoten van de weerbaarheid in sociale situaties;
  • Vergroten van het zelfvertrouwen en gevoel van eigenwaarde;
  • Herkennen van en omgaan met eigen en andermans grenzen;
  • Leren opkomen voor eigen wensen;
  • Leren van oplossingsvaardigheden om grensoverschrijdend gedrag te voorkomen.

Subdoelen:

  • Bewust worden en leren inzetten van een sterke en duidelijke lichaamshouding en stemgebruik;
  • Ontdekken en gebruiken van eigen kracht, zowel mentaal als fysiek;
  • Lichaamssignalen herkennen en er betekenis aan kunnen verlenen (ja-, nee- en twijfelgevoelens);
  • Leren op een adequate en effectieve manier nee en stop te zeggen;
  • Ontdekken wat je wel en niet wilt en dat kunnen uiten (mening geven).

 

Interventies

Bij het werken met mensen met een LVB houden we op interventieniveau rekening met een aantal specifieke kenmerken. Met name de beperkingen in werkgeheugen en problemen met het generaliseren van het geleerde vragen om aanpassingen (Koning & Collin, 2007; Chapman & Mitchell, 2013);

  • De informatie wordt gedoseerd aangeboden en regelmatig herhaald;
  • Er wordt waar mogelijk gebruik gemaakt van visuele ondersteuning (zoals pictogrammen, foto’s, video’s, tekst of tekeningen op een schoolbord of whiteboard);
  • De taal wordt aangepast en de instructie helder geformuleerd;
  • De ondersteuners van de cliënten worden actief betrokken bij de training door middel van het begeleiden van huiswerkopdrachten. Daarnaast kunnen zij met de cliënt in de eigen omgeving de oefeningen blijven herhalen zodat de generalisatie van het geleerde bevorderd wordt.

Deze weerbaarheidstraining is een groepstraining, gebaseerd op de werkwijze van de psychomotorische therapie. De thema’s worden oefen- en ervaringsgericht aangeboden, waarbij zowel verbale, mentale en fysieke aspecten van weerbaarheid aan bod komen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van verschillende lichaamsgerichte- en bewegingsgerichte werkvormen, zoals:

  • Sport- en spelvormen: waarbij sociale interactie, contact, grenzen en tegenslag op een natuurlijke manier voorkomen. Dit levert veel oefensituaties op die door de therapeut bewust ingezet kunnen worden om de gewenste doelen te behalen;
  • Trek- en duwoefeningen en losmaaktechnieken: tijdens deze werkvormen kan de cliënt zijn eigen kracht en invloed ervaren. De cliënt kan ervaren dat hij/zij geen slachtoffer van de situatie hoeft te zijn;
  • Lichaamshouding- en stemoefeningen: hierbij kan de cliënt concreet oefenen hoe hij zijn lichaamshouding en stem in moeilijke situaties in kan zetten om stevig, zelfverzekerd en assertief over te komen;
  • Ontspanningsoefeningen, “aarden” en focussen: hierdoor leert de cliënt vaardigheden die hem/haar ook in moeilijke en spannende situaties helpen zich weerbaar op te stellen. Ook kan er geoefend worden met het richten van de aandacht op het lichaam en de lichaamssignalen;
  • Psycho-educatie: hierdoor vergroot de cliënt zijn inzicht in de sociale interactie en het belang van op een adequate manier met grenzen omgaan;
  • Oefensituaties waarin de geleerde vaardigheden in een veilige context geoefend en toegepast kunnen worden. Cliënten leren wat gepast en ongepast sociaal gedrag is en hoe ze kunnen handelen in verschillende (oefen)situaties. Video-opnamen kunnen bij deze oefeningen ondersteunend zijn;
  • Huiswerk; de cliënt herhaalt en oefent de geleerde vaardigheden in een nieuwe context. De omgeving van de cliënt wordt hierdoor geïnformeerd over de training en erbij betrokken. De transfer wordt hierdoor bevorderd.

De groepsleden en de groepsdynamiek worden ingezet als voorbeeldgedrag (leren van elkaar), motivatie (leren met elkaar) en voldoende oefenmogelijkheid door de wisselende interactie (leren door elkaar).

Rol therapeut

De attitude van de therapeut is steunend, structurerend (directief), maar ook stimulerend en uitnodigend. De therapeut heeft een duidelijke voorbeeldfunctie.

In sekse heterogene groepen is er voorkeur voor therapeuten van beide seksen. In sekse homogene groepen is de voorkeur voor minimaal een therapeut van gelijke sekse.

Tijdens oefensituaties neemt de therapeut de rol van (grensoverschrijdende) tegenspeler aan. Er wordt zorgvuldig omgegaan met het uit- en in- deze oefensituatie stappen. Deze overgang wordt visueel gemaakt door in een andere ruimte te stappen, of door een fysiek voorwerp (bijvoorbeeld een pet) dat symbool staat voor deze overgang op, dan wel af te zetten.

Activiteit

Voorafgaand aan de psychomotorische weerbaarheidstraining vindt er een informatiebijeenkomst en een intakegesprek plaats. In de intake worden voor de cliënt specifieke einddoelen afgesproken en wordt er een vragenlijst ingevuld om de beginsituatie vast te leggen.

De training bestaat uit 5 opeenvolgende fases waarin themagericht gewerkt wordt aan onderstaande thema’s. Deze fases kunnen afhankelijk van het proces van de groep 2-4 sessies in beslag nemen. De fasering is aangebracht om de thema’s los van elkaar en enkele weken achter elkaar te kunnen behandelen, afhankelijk van de leermogelijkheden van de deelnemers en de veiligheid in de groep. Hierbij is in de eerste fase gekozen voor het thema wat het meest concreet is en waarbinnen de veiligheid in de groep goed opgebouwd kan worden. Voor fase 2, 3 en 4 is al een zekere veiligheid binnen de groep en met de therapeut gewenst. De training wordt afgerond met een eindopdracht waarin de deelnemers de aangeleerde vaardigheden moeten kunnen toepassen.

Fase 1: Expressie en zelfvertrouwen

  • Lichaamshouding (eigen en die van de ander);
  • Kracht (fysiek en mentaal);

Fase 2: Voelen en emoties

  • Herkennen van eigen en andermans gevoelens (ja-, nee- en twijfelgevoelens);
  • Bewust worden van lichaamssignalen;
  • Het ervaren en reguleren van spanning en ontspanning.

Fase 3: Grenzen

  • Herkennen van eigen en andermans grenzen;
  • Aangeven van grenzen.

Fase 4: Toepassen; opkomen voor jezelf

  • (Handelings-) Vaardigheden om met ongewenst gedrag om te gaan;
  • Oplossingsvaardigheden bij een nee-gevoel;
  • Eigen mening geven.

 Fase 5: Afronding

  • Eindopdracht waarin de deelnemers laten zien dat ze de aangeleerde vaardigheden kunnen toepassen;
  • Uitreiking certificaat ter bevestiging hiervan.

Na de training wordt de vragenlijst weer ingevuld om de actuele stand van zaken in kaart te brengen en vindt een evaluatie plaats met de cliënt en begeleider.

 Materiaal

  • Goed geoutilleerde gymzaal;
  • Schrijf- of tekenbord;
  • Video en/of fotoapparatuur.

 

Randvoorwaarden

  • Gesloten groep van 3 tot 8 cliënten;
  • Er is minimaal één HBO/WO opgeleide psychomotorisch therapeut aanwezig en een co- trainer;
  • De co-trainer kan een andere hulpverlener zijn die bekend is en affiniteit heeft met de methode, maar niet bij de dagelijkse begeleiding van de cliënt betrokken is, om een rolconflict te voorkomen.

 

Subtypen

  • Individuele training;
  • Sekse specifieke groepen;
  • Leeftijd specifieke groepen (kinderen, pubers, volwassenen).

 

Behandelduur en frequentie

Minimaal 8 tot maximaal 16 bijeenkomsten van 1,5 uur. De fases kunnen aansluitend of met tussenpozen aangeboden worden.

Na drie maanden wordt er een “terugkomdag” ingepland om de geleerde vaardigheden te herhalen en om ervaringen uit te wisselen.


Eindtermen

De eindtermen worden per cliënt geformuleerd, zodat deze specifiek zijn afgestemd op de hulpvraag en haalbaar binnen de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling. Een voorbeeld hiervan volgt hieronder.
De cliënt is weerbaarder; hij laat zich horen en zien in sociale situaties en hij komt op voor zijn eigen wensen, behoeften en grenzen.

  • De cliënt heeft een sterke en zelfverzekerde houding;
  • De cliënt kan zijn grens aangeven;
  • De cliënt kan zijn mening geven;
  • De cliënt kan handelen in situaties waarin hij geconfronteerd wordt met grensoverschrijdend gedrag.

De bovengenoemde eindtermen worden meetbaar gemaakt aan de hand van een vragenlijst die zowel voor als na de training door de cliënt en/of ouders/begeleiders wordt ingevuld.

Er is nog geen betrouwbare vragenlijst om de assertiviteit of weerbaarheid van mensen met een verstandelijke beperking te meten. Tot die tijd zal er gebruik gemaakt kunnen worden van zelf opgestelde vragenlijsten en SMART geformuleerde einddoelen (Doeven, Remijn, Leeflang, & Bosscher, 2007).

 

Literatuur

  • American Psychiatric Association (2008). Beknopte handleiding bij de diagnostische criteria van de DSM-IV-TR, bureau-editie. Amsterdam: Pearson.
  • Beer de, Y. (2012). De kleine gids. Mensen met een licht verstandelijke beperking . Deventer: Kluwer.
  • Belie de, E. & Van Hoven, G. (2003). Kwetsbaarheid en veerkracht van mensen met een verstandelijke beperking. Tijdschrift voor Orthopedagogiek Kinderpsychiatrie en Klinische kinderpsychologie, 28, 2-17.
  • Bodde, J., & Hagen, B. (2009). LVG-jongeren beter in beeld. Utrecht: VOBC LVG.
  • Chapman, J. & Mitchell, D. (2013). Mindfully valuing people now: an evaluation of introduction to mindfulness workshops for people with intellectual disabilities. Mindfulness, 4,168–178 doi: 10.1007/s12671-012-0183-5
  • DeSteno, D., Gross, J.J. & Kubzansky, L. (2013). Affective science and health: The importance of emotion and emotion regulation. Health Psychology, 32(5), 474-486. doi: 10.1037/a0030259
  • Doeven, L., Remijn, J., Leeflang, M. &  Bosscher, R.J. (2007). De ontwikkeling van een weerbaarheidsvragenlijst voor jongeren met een licht verstandelijke beperking. Ongepubliceerde masterscriptie, Vrije Universiteit Amsterdam, Amsterdam, The Netherlands.
  • Dôsen, A. (2008). Psychische stoornissen, gedragsproblemen en verstandelijke handicap. Assen: Uitgeverij Van Gorcum.
  • Douma, J., Bergh van den, P.  & Hoekman, J. (1998). Verstandelijke handicap en seksueel misbruik. Rotterdam: Lemniscaat. In: De Belie, E. & van Hoven, G. (2003). Kwetsbaarheid en veerkracht van mensen met een verstandelijke beperking. Tijdschrift voor Orthopedagogiek Kinderpsychiatrie en Klinische kinderpsychologie, (28), 2-17.
  • Hayashi, M., Arakida, M., & Ohashi, K. (2011). The effectiveness of a sex education program facilitating social skills for people with intellectual disability in Japan. Journal of Intellectual and Developmental Disability, 36(1), 11–19.
  • Koning, N. D. de & Colin, P. J. L. (2007) Behandeling van jeugdigen met een psychiatrische stoornis en een verstandelijke beperking. Kind en adolescent 28:138–147 doi: 10.1007/BF03061032
  • Kraijer, D.W. & Plas, J.J. (2006). Handboek psychodiagnostiek en beperkte begaafdheid. Amsterdam: Pearson Assessment and Information.
  • Lammers, M. & Meintser, N. (2005). Weerbaar ondanks beperking. Weerbaarheidsprogramma’s opzetten voor mensen met een beperking. Utrecht: TransAct  geraadpleegd op www.movisie.nl
  • Lange, J. de (2010). Psychomotorische therapie. Lichaams en bewegingsgeoriënteerd interventies in de GGZ. Amsterdam: Boom.
  • Lesseliers, J, (2000) Een pleidooi voor relationeel-seksuele vorming. In: De Belie, E. & van Hoven, G. (2003). Kwetsbaarheid en veerkracht van mensen met een verstandelijke beperking. Tijdschrift voor Orthopedagogiek Kinderpsychiatrie en Klinische kinderpsychologie, (28), 2-17.
  • McCarthy, M., & Thompson, D. (1997). A prevalence study of sexual abuse of adults with intellectual disabilities referred for sex education. Journal of Applied Research in Intellectual Disability, 10(2), 105-124.
  • Meuris, A. & Thijssen, I. (2013) Weerbaarder worden doe je zo. Ongepubliceerde scriptie, Windesheim, Zwolle, The Netherlands.
  • Nezu, C. M., Nezu, A. M., &  Arean, P. (1991). Assertiveness and problem-solving training for mildly mentally retarded persons with dual diagnoses. Research in Developmental Disabilities. 12: 371-386.
  • Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Therapie (2009). Beroepsprofiel psychomotorische therapeut. Geraadpleegd op: www.nvpmt.nl
  • Ras, M. &. Woittiez, I.B. (2010, juni 23). Hoe vaak komt een verstandelijke handicap voor ?  Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM. [Online]. Retrieved from http://www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/ziekten-en-aandoeningen/psychische-stoornissen/verstandelijke-handicap/hoe-vaak-komt-een-verstandelijke-beperking-voor/
  • Schalock, R. L., Borthwick-Duffy, S. A., Bradley, V. J., Buntinx, W. H. E., Coulter, D. L., Craig, E. M., … & Yeager, M. H. (2010). Intellectual Disability: Definition, Classification, and Systems of Supports (11th ed.). Washington DC: American Association on Intellectual and Developmental Disabilities.
  • Vuijk, R. (2013). Psychotherapie bij volwassenen met een lichte verstandelijke beperking. Tijdschrift voor psychotherapie, 39, 86-99.
  • Wit, M. de,  Douma, J. & Moonen, X. (2012). Richtlijn effectieve interventies LVB. Aanbevelingen voor het ontwikkelen, aanpassen en uitvoeren van gedragsveranderende interventies voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking. Landelijk Kenniscentrum LVG (2e druk). Utrecht: Dekkers.

 


[1] De schatting van het aantal mensen met een lichte verstandelijke beperking of zwakbegaafdheid loopt in de (internationale) literatuur ver uiteen. Een mogelijke verklaring is dat deze doelgroep niet altijd gebruik maakt van zorgvoorzieningen, waardoor ze niet als zodanig geregistreerd zijn. Het vermoeden is dat de werkelijke prevalentie nog hoger ligt.