► Psychomotorisch lichaamsgericht behandelaanbod voor volwassenen met psychosociale problematiek met licht tot matige stemmingsstoornissen

Mat Houwen & Jeroen Deenik  (2012)

Zorgprogramma
Stemmingsstoornissen

Prototype werkvorm
Focaal-inzichtgevend

 

Rationale

De cliënten hebben psychosociale problematiek waarbij sprake is van licht tot matige stemmingsstoornissen. Psychosociale problematiek wil zeggen dat het gaat om de samenhang tussen twee soorten problemen:

  • Problemen die te maken hebben met gevoelens, gedachten, gemoedstoestand (psycho);
  • Problemen die te maken hebben met andere mensen of instanties (sociaal).

Het Bio Psycho Sociaal (BPS) model van Engel (1977) is een model dat aansluit bij de behandeling van deze doelgroep. In dit model worden drie verschillende gebieden beschreven: biologisch, psychologisch en sociaal. Dit model gaat er vanuit dat deze drie factoren met elkaar in verbinding staan en een rol spelen in het ontstaan, in stand houden en herstel van klachten. Hierdoor ontstaat er ook een wisselwerking tussen deze drie factoren. Binnen het aanbod lichaamsgerichte therapie richt men zich vooral op het psychologische gebied van het BPS model, wat het gevoelsleven, lichaamsbewustzijn, gedrag en de emoties omvat. Het BPS model gaat er van uit dat wanneer men klachten op één gebied behandelt dit mogelijke klachten op een ander gebied zal doen reduceren/verdwijnen (Rigter, 2008).

Mensen met psychiatrische problematiek hebben, in vergelijking met de reguliere bevolking, een verhoogd klachtenniveau op het gebied van spanningsklachten en psycho-somatische klachten. Zoals verhoogde spierspanning, hoofdpijn, korte ademhaling, hartkloppingen en rugklachten (Chopra, 1989; Salmon, 2001). Deze biologische factoren staan volgens het BPS model in continu verband met psychische en sociale factoren.

Van de Vliet, et al. (2002) vergeleken in hun onderzoek het zelfbeeld van psychiatrische cliënten met een As 1 diagnose van ‘stemmingsstoornissen’ tegenover een controlegroep van mensen die geen psychiatrische problematiek hadden. Dit deden zij over een periode van één jaar, waaruit zij concludeerden dat de cliënten met psychiatrische problematiek een lager zelfbeeld hebben vergeleken met mensen die geen psychiatrische problematiek hebben.

Deze bevindingen zijn een impuls voor therapeutische interventies met als doel om het gevoel van zelfbeeld en juiste interpretatie van lichaamssignalen te verbeteren, omdat is aangetoond dat verbetering van deze twee componenten leidt tot een beter mentaal welzijn (Martinsen, 2008; Van de Vliet, et al., 2002).

Knapen, Van de Vliet, Van Coppenolle, Pieters, & Peuskens, (1999) schrijven: Psychomotorische therapie betekent een meerwaarde in de biopsychosociale behandeling van depressieve cliënten. De therapievorm heeft weinig bijwerkingen en een gunstige kosten-batenanalyse. Zij bevordert de zelfwerkzaamheid van de cliënt en draagt bovendien bij tot de preventie van chronische aandoeningen zoals hart- en vaatziekten, suikerziekte, zwaarlijvigheid, botverweking en lage rugpijn (pp. 162).

Er is door Gyllensten, Ekdahl, & Hansson (2009) een gerandomiseerde gecontroleerde studie gedaan naar de lange termijn effecten van lichaamsgerichte therapie binnen de behandeling van psychiatrische cliënten, vergeleken met een controlegroep die dit niet kreeg tijdens de behandeling. Dit onderzoek is gedaan onder 77 cliënten met vergelijkbare problematiek als de cliënten in het Herstellingsoord: stemmingsstoornissen, stressgerelateerde somatoforme stoornissen, persoonlijkheidsstoornis met lichamelijke symptomen zoals overmatige spierspanning en ademhalingsproblemen. De onderzoeksgroep betrof 38 cliënten en de controlegroep 39. Deze therapie omvatte tevens een werkwijze die te vergelijken is met het Herstellingsoord. Het betroffen oefeningen in zowel stilstand als beweging: liggend, zittend, staand of lopend (sensory awareness, senso-relaxatie, bewegingsexpressie en aandachtsoefeningen). De nadruk lag op de directe ervaringen in het hier en nu.

Cliënten die tijdens hun behandeling lichaamsgerichte therapie volgden hadden (bij de follow-up na 6 maanden) vergeleken met de controlegroep een beter lichaamsbewustzijn en bewegingsgedrag. Ook hadden zij in vergelijking een betere controle over houding en coördinatie, beduidend minder psychiatrische symptomen en spierspanning en een positiever zelfbeeld. De cliënten die lichaamsgerichte therapie volgden hadden verbeterde ‘self-efficacy’ (het vermogen en de overtuiging om adequaat en efficiënt te handelen in een voorheen moeilijke situatie) en maakten significant minder gebruik van professionals in de nazorg. Naast de positieve effecten van de behandeling valt tevens vanuit een financieel perspectief te zien dat er een aanzienlijke kans is dat de kosten per cliënt omlaag kunnen gaan.

Aantekening bij dit onderzoek is dat de cliënten binnen dit onderzoek twaalf sessies lichaamsgerichte therapie volgden, terwijl er op het Herstellingsoord slechts mogelijkheid is voor zes. Echter valt uit dit onderzoek wel op te maken dat het aanbod in het onderzoek, dat vergelijkbaar is met het Herstellingsoord, een goede uitwerking heeft op deze problematiek.

 

Indicaties

Volwassenen met psychosociale problematiek met licht tot matige stemmingsstoornissen waarbij sprake is van in ieder geval één van onderstaande klachten:

  • Negatief zelfbeeld of lichaamsbeeld;
  • Spanningsklachten;
  • Psycho-somatische klachten;
  • Geremd gedrag;
  • Bovenmatig rationaliseren: piekeren, peinzen, tobben;
  • Somatoforme klachten;
  • Licht tot matige emotieregulatie problematiek.

 

Contra-indicaties

Wanneer er bij de cliënt sprake is van minimaal één van onderstaande klachten, leidt dit tot een contra-indicatie:

  • Psychotische toestandsbeelden;
  • Verslaving (alcohol, drugs) of suïcidaliteit waar de cliënt geen beheersing over heeft;
  • Onvermogen om in een groep te functioneren;
  • Onvoldoende reflectief vermogen.

 

Doelen

Algemene doelen:

  • Vergroten van het lichaamsbewustzijn;
  • Vaardigheden uitbreiden met betrekking tot weerbaarheid en zelfzorg.

 

Naar aanleiding van de algemene doelstellingen werkt de cliënt aan één of meerdere subdoelen, afhankelijk van de doelen die cliënt met de hoofdbehandelaar opgesteld heeft.

 

Subdoelen:

  • Lichaamssignalen herkennen en er betekenis aan kunnen verlenen;
  • Meer durven toelaten en delen van emoties;
  • Meer zicht krijgen in intrapsychisch functioneren;
  • Grenzen voelen en aangeven;
  • Zelfbeeld verbeteren;
  • Zelfvertrouwen vergroten;
  • Meer zicht krijgen op interpersoonlijk functioneren.

 

Interventies

Rol therapeut

De rol van de therapeut is in de basis steunend en structurerend en later meer openend, confronterend en inzichtgevend. De therapeut stelt zich transparant op en geeft psycho-educatie rondom de verschillende thema’s (Van Hattum & Hutschemaekers, 2000). Binnen de therapie hanteert de therapeut een eclectische werkwijze.

Activiteit

Het groepsaanbod bestaat uit zes bijeenkomsten, waarin themagericht gewerkt wordt, volgens onderstaande thema’s:

  • Spanning & Ontspanning;
  • Lichaamsgrenzen;
  • Eigen plek/ruimte;
  • Omgaan met irritaties en boosheid I;
  • Omgaan met irritaties en boosheid II;
  • Ik en de ander.

Deze thema’s worden oefen- en ervaringsgericht aangeboden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van verschillende lichaamsgerichte werkvormen, zoals sensory awareness, senso-relaxatie, bewegingsexpressie en aandachtsoefeningen. Dit komt overeen met de gebruikte technieken in het beschreven onderzoek in de rationale.

Na deze zes bijeenkomsten is er ruimte voor een uitloop van maximaal 3 individuele sessies, om specifieker in te kunnen gaan op persoonlijke doelen. De noodzaak hiervan wordt beoordeeld in overleg met de betrokken behandelaar.

Randvoorwaarden

  • PMT-ruimte geschikt voor lichaamsgerichte activiteiten;
  • Matjes;
  • Aanwezigheid van audioapparatuur; 

Behandelduur en frequentie

6 bijeenkomsten van 1,5 uur in een gesloten groep van vier tot acht cliënten. Eventuele individuele uitloop van maximaal 3 sessies van 30 minuten.

Frequentie

1x per week

Eindtermen

Cliënt hoeft niet te voldoen aan alle eindtermen, afhankelijk van de doelen waaraan gewerkt is.

Lichaamsbewustzijn is vergroot:

  • Cliënt kan lichaamssignalen beter herkennen en er betekenis aan verlenen;
  • Cliënt is in staat meer van zijn/haar emoties toe te laten en te delen;
  • Cliënt heeft meer zicht op zijn/haar eigen handelen en copingstijl(en).

 

Toegenomen weerbaarheid en zelfzorg:

  • Cliënt kan beter grenzen aangeven en is assertiever;
  • Cliënt heeft meer vertrouwen in zijn/haar denken en handelen;
  • Cliënt kan realistischer naar zichzelf kijken, verbeterd zelfbeeld;
  • Cliënt heeft meer zicht op zijn/haar eigen handelen en copingstijl(en) in interactie met zijn/haar omgeving.

 

Deze eindtermen worden gespecificeerd en geconcretiseerd aan de hand van de individuele doelstellingen van de cliënt.

Aan het eind van de laatste sessie wordt tijd vrij gemaakt om met de cliënt een mondelinge evaluatie te hebben om na te gaan in hoeverre de samen met de hoofdbehandelaar opgestelde doelen behaald zijn.

 

Literatuur

  • Chopra, D. (1989). Quantumgenezing.Utrecht: Kosmos-Z&K.
  • Engel, G. L. (1977). The need for a new medical model a challenge for biomedicine. Science 196: 129 – 136.
  • Federatie Vaktherapeutische Beroepen. (2008). Profiel van de vaktherapeutische beroepen. Utrecht: FVB.
  • Gyllensten, A. L., Ekdahl, C., & Hansson, L. (2009). Long-term effectiveness of Basic Body Awareness Therapy in psychiatric outpatient care. A randomized controlled study. Advances in Psysiotherapy(11), 2-12.
  • Hattum, M. van & Hutschemaekers, G. (2000). Vakwerk: Producttyperingen van vaktherapeuten voor het programma stemmingsstoornissen. Utrecht: Trimbos-instituut.
  • Knapen, J., Vliet, P. van de, Coppenolle, H. van, Pieters, G., & Peuskens, J. (1999). Psychomotorische therapie en depressie: een paradox? Psychopraxis (01), 157-162.
  • Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ. (2010). Multidisciplinaire richtlijn Depressie (eerste revisie). Utrecht: CBO.
  • Martinsen, E. W. (2008). Psysical activity in the prevention and treatment of anxiety and depression. Nordic Journal of Psychiatry, 62 (47), 25-29.
  • Rigter, J. (2008). Het palet van de psychologie. Bussum: Coutinho.
  • Salmon, P. (2001). Effects of physical exercise on anxiety, depression, and sensitivity to stress: a unifying theory. Clinical Psychology Review, 21(1), 33-61.
  • Scheffers, M., Rekkers, M., & Bosscher, R. (2006). Hoe meet ik lichaamsbeleving? Aanbevelingen voor psychomotorisch therapeuten. Tijdschrift voor vaktherapie (4), 21-30.
  • Vliet, P. van de, Knapen, J., Onghena, P., Fox, K., David, A., Morres, I., . . . Pieters, G. (2002). Relationships between self-perceptions and negative affect in adult Flemish psychiatric in-patients suffering from mood disorders. Psychology of Sport and Exercise (3), 309-322.